Kuda Kepang/Kuda Lumping

Posted in Kunst & Literatuur

KUDA LUMPING of KUDA KEPANG

Ke-de-dáp, ke-de-dáp, ke-de-dáp

EEN PAAR MAAL plukte hij een kembang sepatu van de heg en zoog het zoete vocht uit de bloem. In de verte hoorde hij een Haji de gelovigen tot gebed roepen en dichtbij klonk de perkutut: póerketoetoet, póerketoetoet! Uit de zak van zijn celana monyet haalde hij zijn katapult en zocht tussen het gebladerte naar de vogel. Póerketoetoet… póerketoetoet!, klonk het weer, maar nu vanaf een andere plek.

– ‘Hij heeft me gezien, tuurlijk’, mompelde hij, maar bleef doodstil, alleen z’n ogen bewogen. Daar zat de vogel op een tak. Heel langzaam bracht hij met zijn gestrekte linkerarm zijn katapult in stelling tot hij de vogel in het midden van de gaffel zag. Zijn vingers knepen om het leertje met daarin de steen. Even wachtte hij, het elastiek tot het uiterste uitgetrokken. Dunne draden waren het nog maar. Het steentje moest een zo recht mogelijke baan volgen. Hij hield z’n adem in en liet toen het leertje los. Srrrèp! Maar juist op het moment dat het steentje het luchtruim koos vloog de vogel op en verdween. Alleen het klapwieken was nog even te horen.
– ‘Pffffff!’, blies de jongen: ‘Amper kenak…’

De katapult stopte hij weer weg en, met zijn gezicht langs de koele bladeren van de heg strijkend, liep hij in de richting van het plein. Hij liep op het gras, want het zandpad was gloeiend heet. Soms verstapte hij zich en trok dan schielijk zijn blote voet terug.

Het plein bestond uit nauwelijks meer dan een zandvlaktetje, met hier en daar een door de zon geblakerde boom. Achter de kleine gebouwtjes die het plein omringden, stonden volop bomen en als de zon laag stond, vroeg in de ochtend of laat in de middag, kwamen de schaduwen tot bijna op de helft van het plein. Veel verkoeling brachten ze niet, omdat het maar kort duurde.

De gebouwtjes, kleine woningen, een warung en een moskee, waren met uitzondering van de laatste twee, uit bamboe en atap opgetrokken met vloeren van aangestampte aarde. De tamelijk grote warung was van gepleisterde baksteen en had dakpannen. Op de stenen trap van enkele treden waren allerlei zaken uitgestald, zoals potten, pannen en manden. Er lag veel zout vlees en vis in allerlei soorten en groenten waaronder frisse rode en groene lomboks. Het rook er sterk naar terasi. De moskee bestond maar voor de helft uit steen, de rest, zoals het dak, van bambu en atap. Bij en tussen de woninkjes was altijd rook van houtvuur en andere geuren die de neus prikkelden. De bewoners waren vriendelijk tegen de jongen die graag in de kampong kwam.

Bij voorkeur liep hij de route via Kemajoranweg en het zandpad langs de heg. De kortere, via de achtertuin, nam hij alleen als hij snel een boodschap in de warung moest doen. De pagger achter het huis functioneerde al lang niet meer, zo lobos was die en delen ervan lagen op de grond weg te teren.

Op het plein zelf kwam hij niet, er was nauwelijks iemand. Alleen geiten scharrelden er rond en verder natuurlijk kippen. Die kippen vonden het lekker om in het hete zand te liggen en het zand met hun vlerken om te woelen. Hun snavels open en hun keel ritmisch bewegend, aanbaden ze zo de zon.

Die dag was het plein niet alleen voor de geiten en kippen. Er heerste een drukte van belang. Veel van de kampongbewoners, oud en jong, mannen en vrouwen, hadden jonkok een cirkel gevormd waarbinnen zich een gezelschap bevond dat een kuda lumping voorstelling ging geven.

De jongen zocht tussen het publiek een plaatsje. Veel van de kampongbewoners kende hij en over en weer werd beleefd gegroet. Naast Pak Buntus was nog een plaatsje vrij en de jongen ging er zitten. Pak Buntus had zijn voet iets naar voren geschoven om de druk daarop enigszins te verminderen. De jongen vroeg hem hoe het ging en of zijn voet nog ziek was. Pak Buntus legde omstandig uit dat sinds meneer Leo hem met zijn bezweringen behandeld had het aanmerkelijk beter ging. Hij eindigde met: ’Tuhan Allah mau bikin baik, nyo…’

De voet en de wreef waren verschrikkelijk gezwollen. Ergens onder de bijna zwart geworden paarse, genees-krachtige bladeren moest het vreselijke gat zitten. De stank van het rottende vlees vermengde zich met de prikkelende geur van de kerètèk die Pak Buntus rookte. De jongen herkende de stank van de rottende wond, want zijn eigen zweren verspreidden die ook. Hoe hij aan de zweren was gekomen wist hij niet meer, maar de oorzaak van de wond van Pak Buntus kende hij wel. Pak Buntus hielp met het schoonhouden van hun tuin. Een keer per week schoffelde hij deze, ruimde rommel op en begroef in een kuil de bij elkaar geharkte bladeren. Die ene keer, zes weken geleden al, gebeurde het ongeluk. Pak Buntus had de kuil al gedeeltelijk gegraven toen zijn voet langs de schuine helling weggleed, juist op het moment dat hij zijn hak naar beneden stootte. De scherpe rand kwam precies op zijn wreef terecht en veroorzaakte een afschuwelijke wond. De uitzonderlijk grote Javaan was daarmee, naar later bleek, voorgoed geveld.

De jongen schoof wat dichter naar de grote man en legde zijn hand op diens blote knie. Wat was Pak Buntus in korte tijd oud geworden. Kasian. Maar hij vergat Pak Buntus al gauw. Slagen op enkele gamelaninstrumenten deden hem in de richting van de dansers kijken. Deze maakten zich op om de voorstelling te beginnen. Nog lagen de kuda’s (een plat rekwisiet dat bestaat uit een van dierenhuid en bambu samengesteld paardenlichaam zonder benen, maar wel met een korte staart) op de grond, maar die zouden al gauw tot leven komen. Het hart van de jongen klopte in zijn keel: altijd was hij een beetje bang voor kuda lumping.

Er waren maar twee ‘ruiters’ deze keer, beiden naakt tot op een klein broekje na en een kleurige band om het middel. Zij schoven het ‘paard’ tussen de benen waarbij ze met hun armen de paardenhals omklemden. De paarden waren prachtig beschilderd in donkere kleuren bruin, blauw, donkerrood en zwart. De koppen hadden grote amandelvormige ogen en in de manen zaten kleurige linten.

De leider van het gezelschap ging in het midden van de cirkel staan en groette het publiek met tegen elkaar gedrukte handen, de zogenoemde sembah, waarna hij zijn zweep passangde. Hij had meer ruimte nodig en verzocht het publiek rechts van hem nog ‘n ietsje achteruit te gaan. Nadat hij twee keer met de zweep in de lucht had geknald, begonnen de muzikanten te spelen en zetten beide ruiters zich in beweging. Ke-de-dáp, ke-de-dáp, ke-de-dáp. Eerst traag, maar dan steeds sneller renden zij dicht langs het publiek, grote stofwolken met hun stampende voeten opstuivend. Ke-de-dáp, ke-de-dáp, ke-de-dáp! Ke-de-dáp, ke-de-dáp, ke-de-dáp! De muziek klonk steeds luider en steeds sneller waarmee de muzikanten de ruiters aanspoorden om nog veel sneller te gaan. De leider knalde zwierig met zijn zweep. In het midden van de kring brandde een knetterend vuur. De rook vermengde zich met de opstuivende stofwolken. Vlakbij het vuur lagen lampen waarvan de fittingen waren verwijderd. De ruiters cirkelden steeds dichter rond het vuur. Een enkele maal stopte een van hen en greep een lamp en at die op. Hij toonde z’n geopende mond aan het publiek dat de scherfjes daarin kon zien. Dan slikte hij de deze door waarna de ruiter, die tevens paard was geworden, met zijn lichaam voorover gebogen uit een grote emmer water dronk. En hup!, ging hij verder in galop.

Toen de lampen allemaal opgegeten waren, en na nog een wilde ren werd het plotseling doodstil. Hijgend stonden de ruiters stil, met wijd open gesperde starende ogen op het vuur gericht. Zweet trok diepbruine sporen over de trillende lichamen. Op een teken van de man met de zweep, en onder begeleiding van wilde muziek, galoppeerden ze beiden dwars door het vuur. En nog eens, en nog eens! Van tijd tot tijd bleven ze er middenin staan en maakten een rondedans. De vonken spetterden en dwarrelden langs hun benen omhoog. Opnieuw renden ze langs het publiek dat steeds meer opgewonden raakte. Alsmaar feller en sneller klonk het klakken uit de vele monden. Tlak-tlok-tlak-tlok-tlak-tlok-tlak-tlok-tlak-tlok! Stof en snelheid leken de ruiters en hun paarden tot een geheel te maken. Steeds sneller schoten ze als schimmen voorbij.

Weer hield de muziek op even plotseling als daarstraks. Opnieuw stonden de ruiters hijgend en snuivend stil. Ze hielden hun linkerbeen uitgestoken in de richting van de man met de zweep… De jongen sloeg zijn handen voor de ogen om niet te hoeven zien wat ging gebeuren, maar gedeeltelijk won zijn nieuwsgierigheid het van zijn angst en gluurde hij tussen de vingers door. Hij drukte z’n lichaam dicht tegen Pak Buntus aan.

De leider tilde de zweep langzaam op en liet het uiterste puntje ervan langs de grond naar zich toekomen. Toen trok hij hem snel en met grote kracht omhoog en sloeg ermee in de richting van een van de naar hem uitgestrekte benen. De klap werd vergezeld door een oorverdovende slag op een van de muziekinstrumenten. Het uiteinde van de zweep slingerde zich rond de gespannen kuit en bleef even daaraan vastgekleefd zitten. Traag trok hij de zweep los en op het gespannen been waren de sporen van de klap zichtbaar: niet meer dan stoffige lijnen. Geen wonden, geen bloed. Goden waren het, onkwetsbaar, en die in een andere wereld hoorden… De tweede ruiter was aan de beurt… Door de trance waarin de ruiters waren leken zij niets van de striemende zweepslagen te voelen. De zweepslagen herhaalden zich enkele malen totdat de ruiters met hun paarden tegen de grond vielen en na enig gekronkel en stuipachtige bewegingen bleven liggen. Voor de jongen was dit het spannendste moment. Niet toen de ruiters glas aten en dat ook doorslikten. Ook niet toen ze met hun blote voeten door het vuur liepen. Nee, heel spannend was het gekronkel van de lichamen en de vreemd vertrokken gezichten van de ruiters. Het boezemde hem ook echt angst in. Met het paard nog steeds tussen de benen lagen ze op hun zij in het stof. De man met de zweep en enkele anderen liepen op ze toe en tilden hen op. Als ledenpoppen zo slap hingen ze in de helpende armen. Zouden ze dood zijn? Allen keken gespannen toe.

Na een tijd die eindeloos leek, kwamen de ruiters weer bij hun positieven en de voorstelling was afgelopen.

Opgelucht stond de jongen op, wuifde naar iedereen en galoppeerde vrolijk naar huis via het laantje langs de heg van kembang sepatu. Ke-de-dáp, ke-de-dáp, ke-de-dáp!
©: Dane Beerling, Amsterdam 1987/1998

——