De Bersiap (vernieuwd)

Posted in Geschiedenis

DE BERSIAP 

H.Th. Bussemaker
(Lezing gehouden op 15 november 2003, tijdens de Landelijke Dag van KJBB’41-’49)

Inmiddels is zijn boek Bersiap! Opstand in het paradijs verschenen bij Walburg Pers. Niet bij ons, Benteng Beruang verkrijgbaar, maar bij de boekhandel en bij Walburg Pers zelf. 400 pagina’s rijk geïllustreerd in zwart-wit. Formaat 17×24 cm, genaaid gebrocheerd.

ISBN 90.5730.366.5, NUR 680. Prijs € 39,50.

 Herman Bussemaker legt hier een krans bij het monument in Amstelveen ter herinnering aan de slachtoffers van de Bersiapperiode. Foto: Wil Bussemaker 2004.

 

1. Inleiding.

Bersiap betekent “Weest Paraat”, en de uitdrukking komt voort uit vooroorlogse Indonesische padvindersbeweging.

De Bersiap-periode loopt van 15 september 1945 tot 1 december 1946: en is de meest gewelddadige periode in de geboorte van de Indonesische Staat, als onderdeel van hun nationale revolutie.

Voor deze cruciale periode in de geschiedenis van twee landen bestaat weinig belangstelling van Nederlandse en Indonesische historici. In het Nederlands is er geen enkel samenvattend boek verschenen over de gehele periode.

Mary van Delden behandelt alleen Bandoeng, Willy Meelhuysen alleen Soerabaja, Winny Rinzema Batavia, Han Bing Siong alleen Semarang. Indonesische historici hebben alleen oog voor de heroische aspecten van de vrijheidsstrijd, niet voor de bloedige kant ervan. De meeste boeken over de Bersiap zijn van Australiërs, Amerikanen en Engelsen, zoals Rickleff (Engels), Smail (Engels), Cribb (Australisch), Frederick (Amerikaans), Friend (Amerikaans), Kahin (Amerikaans), Reid (Amerikaans). Een belangrijke rol heeft hierbij gespeeld het reeds enkele decennia lopende
South-East Asian onderzoeksproject van de Cornell- Universiteit te Ithaca, New York State, USA.

Daarom dat ik besloten heb om zelf een boek over deze periode te schrijven in het Nederlands. Het streven is, om dit boek midden-2005 te laten uitkomen. Aangezien ik tenslotte ook ervarings-deskundige ben wat betreft de Bersiap, zal de persoonlijke noot daarin niet ontbreken. Deze lezing geeft aan, wat ik in mijn bronnenonderzoek heb gevonden.

De Bersiap-periode is uitermate complex, omdat er vier verschillende machten waren, welke het verloop van de Bersiap hebben bepaald. Het was een soort duivels kaartspel met vier spelers in twee tegenover elkaar staande teams, een Engels-Nederlands team en een Indonesisch-Japans team. Maar ook binnen de teams had men zeer verschillende agenda’s.

De betekenis van de Bersiap is enorm geweest, vooral voor de Nederlanders en de Indonesiërs. Voor de Indische Nederlanders was het een periode, welke hun een identiteit gaf, en leidde tot de door niemand voorziene – en gewenste – massale terugkeer naar een vrijwel onbekend vaderland. Voor de Nederlanders was het een schaamtevolle periode, om niet te zeggen een nationaal trauma. Vandaar het overslaan van deze periode in het onderwijs in Nederland. Voor de Indonesiërs bevestigde de Bersiap hun nationale identiteit, bevochten in een langdurige strijd eerst tegen de Japanners, daarna tegen de Engelsen, vervolgens tegen de Nederlanders. Japanners en Britten hebben er een kater aan overgehouden.

1943, de Japanse premier Tojo begroet Soekarno. Foto uit: Het land onder de
regenboog van
 Mochtar Lubis.

2. Japanners en Indonesiërs.

De capitulatie van het KNIL in maart 1942 was een schok voor de Indonesiërs. De Belanda-meesters bleken immers niet in staat hun veiligheid tegen een buitenlandse invasie te garanderen. De Japanse propaganda speelde hierop in. Japanners gaven civiele bestuur geheel over aan Indonesiërs, die in staat bleken de overheid en de infrastructuur te runnen: spoorwegen, telefoon, electriciteit, water. De Indonesische politie werd niet ontwapend! Pas in september 1944 bleek het Japanse kabinet Koiso bereid om Indonesische streven naar onafhankelijkheid te erkennen.
Oprichting van de Sukarela Tentara Pembela Tanah Air oftewel PETA: 66 bataljons op Java, 3 op Bali. De PETA was sterk regionaal georganiseerd, licht bewapend (geen kanonnen of tanks), maar goed geoefend, met eigen Indonesische officieren en een eigen bevelsstructuur. In februari 1945 brak echter een opstand van een PETA-bataljon uit te Blitar, welke door Japanners in bloed werd gesmoord. De Hei-ho waren Indonesische hulpsoldaten in Japanse dienst, meest ex-KNIL militairen. Daarnaast een zeer militante jeugdbeweging, de seinendan. Veel nadruk werd daarbij gelegd op “Semangat” (wilskracht), vergelijkbaar met Japanse ‘seishin”: de Geest overwint! Denk aan de zelfmoordcommando’s, zoals de Japanse Kamikaze-vliegers.

In juli 1945 ontstond een Indonesische grondwet gebaseerd op de Pantjasila. Met het Japanse bezettingsleger werd een overeenstemming bereikt over Japanse erkenning van een Republik Indonesia op 7 september 1945. Toen kwam de schok van Japanse capitulatie. Indonesische Nationalisten als Soekarno/Hatta waren nu bevreesd voor arrestatie door de Kenpei-Tai. Indonesische jongeren, de pemuda, waren daarentegen bevreesd dat Geallieerden een Japanse marionettenregering niet zouden erkennen. Zij dwongen Soekarno c.s. om een onafhankelijkheids-
proclamatie uit te spreken. (17 augustus 1945). De oudere Nationalisten verzwakten daarmee hun traditionele autoriteit ten opzichte van de Japans-opgeleide pemoeda’s, die in feite locaal de macht grepen.

Dat konden zij doen, omdat op 18 en 19 augustus 1945 de Japanners de PETA en de Hei-ho ontwapend en ontbonden hadden. Angst voor een tweede Blitar speelde zeker mee. De oudere Nationalisten waren het hier mee eens: zij vertrouwden de loyaliteit van de Indonesische PETA-leden niet. Het resultaat was echter, dat de jonge Indonesische regering geen ander machtsmiddel had dan de politie. Wel besloot Soekarno tot de oprichting van regionale Komitee’s Nasional
Indonesia Pusat (KNIP), waaronder de PETA-Bataljons zich weer trachtten te formeren – zonder wapens!

De tweede Japanse maatregel was de zelf-internering. Zij waren door de Geallieerden belast met de handhaving van rust en orde, totdat zij ontwapend zouden worden door Geallieerde troepen. Japanners doorzagen, dat hen dat in conflict met Indonesische troepen zou brengen, en besloten eind-augustus tot zelf-internering over te gaan in 14 gezonde bergoorden met veel voedsel buiten de grote steden op Java. Daardoor ontstond vanaf 1 september geleidelijk een gezagsvacuum,
dat niet door geallieerde troepen werd opgevuld. De Engelsen hebben dit niet voorzien, en deze zelf-internering niet verboden. Het was de eerste grote Engelse inschattingsfout. Helaas zouden er meerdere volgen.

De Japanse militaire organisatie bleef ondanks de klap van de capitulatie intact: Hun sterkte bedroeg 69.000 man op Java, 70.000 op Sumatra, 170.000 in Grote Oost. Tot eind-september hadden de Japanners de Indonesische revolutie gewelddadig kunnen onderdrukken. Hun moreel en discipline was goed. Slechts ca 600 Japanners zijn naar Indonesische kant gedeserteerd, meestal vanwege huwelijk met Indonesische vrouw.

3. Britten en Nederlanders.

Nederland bezat nauwelijks machtsmiddelen. In Australië waren 2 KNIL-bataljons, welke geholpen hebben bij de invasies van Tarakan en Balikpapan door Australische troepen in 1945. De Nederlands-Indische regering onder Van Mook bevond zich te Brisbane. Bevelhebber Strijdkrachten was Helfrich, te Colombo (Ceylon). Australiërs en Van Mook vielen onder het Amerikaans bevelsgebied: SWPA, waar ook Java, Borneo en Grote Oost onder vielen. MacArthur was daarvan bevelhebber, zeer pro-Nederlands, met goede contacten met Van Mook. Hij maakte plannen voor de verovering van Java vanuit Borneo: de code naam hiervoor was Operation MONTCLAIR.

Luitenant-gouverneur-generaal Van Mook in een onderonsje met de
gematigde
 Sutan Sjahrir. Foto uit: Het land onder de regenboog van Mochtar Lubis.

Helfrich was zeer pro-Brits, evenals de Nederlandse regering in Londen. Helfrich viel onder Admiraal Lord Louis Mountbatten, en het zg. SEAC-Theater. Sumatra en Malaka vielen onder SEAC. In 1943-1944 twas het ouwtrekken tussen Van Mook en Gerbrandy, of Ned.Indië nu in zijn geheel onder SWPA of SEAC zou moeten vallen. De Ned. Regering had voorkeur voor SEAC, Van Mook voor de SWPA. Uiteindelijk beslisten de Amerikanen begin-1945: Roosevelt was niet bereid Amerikaanse soldaten te laten sneuvelen voor de herovering van een Nederlandse kolonie. Tegen zijn zin moest MacArthur Ned.Indië aan SEAC overdragen. Hij werd gecompenseerd door hem Opperbevelhebber te maken van alle Geallieerde Legers in de Pacific:
Supreme Commander Allied Powers (SCAP).

Eind-Juli 1945 vond de topconferentie van Potsdam plaats. De datum van transfer van Ned.Indië werd bepaald op 15 augustus 1945! Geen Nederlands protest hiertegen.

Mountbatten had met het 14e Brits-Indische Leger net Burma heroverd op de Japanners. Zijn volgende operatie was operatie-ZIPPER: de herovering van Malaka en Singapore. Hij had echter veel minder divisies en (varend) materieel als de Amerikanen.

Mountbatten pleegde overleg met de staf van Van Mook. Hij had geen Intelligence over Java en Sumatra. Van Mook cs. vertelden hem, dat zijn troepen met gejuich zouden worden begroet door de Indonesiërs. Naar de Nederlandse Inlichtingendienst NEFIS werd niet geluisterd. Die wist door ontvangst van Indonesische radio-uitzendingen en ontvoering van vissers door duikboten en
Catalina’s dat er iets broeide. Dat er circa 2 miljoen getrainde, maar ongewapende Indonesische jongeren klaar stonden, wist de NEFIS echter niet, de Britten ook niet. Mountbatten had 6 Brits-Indische divisies ter beschikking, die ingezet werden op Malaka, Singapore, Brits-Noord-Borneo, Hongkong, Siam en Frans Indo-China. Voor Java en Sumatra werd 1 divisie geoormerkt, die door gebrek aan landingsvaartuigen pas eind-september in Batavia kon landen.

De positie van de burger-interneringskampen was de Geallieerden onbekend. Daarom sprongen vanaf 7 september RAPWI-parachutistenteams boven Batavia, Bandoeng, Semarang en Soerabaja. Zij hadden een humane missie: localisatie kampen, regelen voedsel en medicijnen, zoals hun naam aangaf. (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees). Er was dus geen duidelijke Britse militaire presentie. De Japanners waren daarover teleurgesteld, de Indonesiërs opgetogen!

Op 15 september 1945 arriveerden de eerste Britse en Nederlandse oorlogsschepen in Batavia. De stad was geheel in Indonesische handen, overal roodwitte vlaggen en leuzen. Vrijgekomen Britse officieren (waaronder Laurens van der Post) informeerdn Mountbatten over de ware situatie op Java, evenals zijn vrouw Lady Mountbatten die de kampen bezocht. Mountbatten besluit daarop met de Indonesische regering samen te werken, tegen de zin van de Nederlandse regering. Op 29 september komt de Britse bevelhebber Generaal Christison in Batavia aan met de voorhoede van de 23e Brits-Indische Divisie. Christison houdt een radio-rede, waarin hij stelt met de Indonesiërs te willen samenwerken voor orde en rust, en er alleen op uit te zijn om de Japanners te ontwapenen en de krijgsgevangenen te evacueren. Vandaar ook de RAPWI. De Indisch-Nederlandse buitenkampers zijn geen Internees, maar worden aangeduid als IFTU:”Inhabitants Friendly to us”. De Britten maken dus een racistisch onderscheid tussen de totoks in de Japanse interneringskampen en de Indo’s buiten die kampen. Van Mook cs zijn geschokt over de toespraak van Christison met de facto erkenning Indonesische Staat!

De Japanners maakten hun capitulatie pas bekend op 23 augustus 1945. Daarna gingen de kampen open. Er zijn veel “bolossers”, van de circa 90.000 geinterneerden gaat 10.000 op stap, op zoek naar vrouwen en kinderen. De treinen rijden over heel Java. Oudere Indonesiërs zijn over het algemeen absoluut niet vijandig, met uitzondering van de vooroorlogse Nationalisten en Communisten Tot begin-october reizen ex-geinterneerden vrijelijk tussen de kampen om ouders/echtgenoten te zoeken en te vinden. Vanaf eind-september evacueert de RAPWI zelfs circa 3000 geinterneerden uit Semarang naar Soerabaja.

Midden-september vinden de eerste incidenten plaats. Jongens uit de kampen, bolossers en Indo-jongeren verscheuren pamfletten en oproepen van de pemoeda’s. Op 19 september vindt het vlag-incident bij het Oranje-hotel in Soerabaja plaats, en een demonstratie op het Koningsplein in Batavia. Pemoeda’s gaan nu op wapenjacht: veel Japanse slachtoffers. Zij die geen wapen hebben, rusten zich uit met de bambu runcing en kapmessen. Criminele elementen slaan aan het rampokken van Indo-Europeanen. Gevangenissen worden opengezet. Gewapende strijdgroepen beginnen met geisoleerde moorden van Indo’s in stadskampongs, vooral in Batavia. Er ontstaat een tegenreactie door Indo-jongeren onder leiding van oudere ex-KNIL-Ambonezen. Er vormen zich Nederlandse strijdgroepen, wat leidt tot felle botsingen vooral in Batavia. De Brits-Indische
Brigade in Batavia blijkt onbetrouwbaar: Brits-Indische soldaten interfereren niet bij relletjes. Ze kijken alleen maar toe.
Het machtsvacuum buiten Batavia groeit alleen maar. Ook Japanners komen in de knel.Op 10 october 1945 grijpt generaal Mabuchi in: de Japanners vegen Bandoeng schoon! Op 17 october komen de eerste Brits-Indiërs pas daar aan. In Semarang grijpt majoor Kido gewapenderhand in op 15 october, en jaagt de pemuda weg.Op 19 october kwam het eerste Brits-Indische bataljon aan in
Semarang. Het bleek veel te zwak om de pemoeda het hoofd te bieden, en werkte nauw samen met de Japanners van Kido. In gezamenlijke acties werd opgerukt tot Magelang, en de bewaking van Ambarawa/Banjoebiroe overgenomen.

Geheel anders is de situatie in Soerabaja. Gewapende Indonesische strijdgroepen vallen tussen 30 september en 3 october de Japanse arsenalen aan, die een voor een worden overgenomen. De Japanners bieden nauwelijks weerstand. Op basis van de toespraak van Christison besluit het Japanse hoofdkwartier te Batavia de garnizoenen te bevelen om wapens over te dragen aan de politie, en samen met hen de orde en rust te bewaken. Vooral in Soerabaja is de buit enorm: genoeg geweren en zwaar materiaal, inclusief tanks en artillerie, om 2 divisies te bewapenen. De Japanse bataljons te Poerwokerto en Soerakarta op midden-Java worden ontwapend, evenals het bataljon te Malang. Het meest volledig is de ontwapening der Japanners te Soerabaja. Vanaf
10 october hebben de Indonesiërs de stad volledig in handen.

Rond 10 october begint het vermoorden van ongewapende Indo-vrouwen en kinderen op het platteland van Java door bendes gewapende pemoeda. Op west-Java te Depok, in midden-Java in Slawi en Tegal, in Oost-Java te Toempang bij Malang. De Indonesische regering vreest voor haar reputatie in het buitenland. Haar enige machtsmiddel is echter de Indonesische politie. Er
is geen centraal Leger! Waarschijnlijk rond 12 october beveelt Hatta de politie om alle Indo- en Nederlandse geboloste mannen en jongens gevangen te zetten in de nu lege gevangenissen. Dit gebeurt heel georganiseerd: de politie heeft lijsten met namen. In Soerabaja loopt dit op 14 october (“Bloedige Maandag”) vreselijk uit de hand. Honderden mannen en jongens worden in de Simpang-
club afgeslacht. De overigen worden afgevoerd naar de Kalisosok-gevangenis. Tussen 14 en 18 october worden over heel Java alle Nederlandse mannen en jongens gearresteerd; vrouwen en kinderen volgen vrij snel daarna in verband met de voedselboycott en hun eigen veiligheid. In sommige gevallen in midden-Java vinden deze interneringen pas midden-november plaats. Meer dan 70.000 Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen worden aldus geinterneerd.

Waar blijven de Britten en Nederlanders? Zoals gezegd, sturen de Britten slechts een Brits-Indische Divisie naar Java, een andere, de 25e Brits-Indische Divisie, naar Sumatra. Bovendien gaan zij alleen naar zg. “key areas”: Batavia, Bandoeng, Semarang, en Soerabaja. Op Sumatra zijn dat Medan, Padang en Palembang. Hun opzet daar is in feite de bewaking en evacuatie van de interneringskampen. Tot verbijstering van de Nederlanders laten zij het Indonesische burgerlijk bestuur volledig intact! Zoals hierboven aangegeven, grijpen zij ook niet in bij rellen.

De Nederlanders hebben geen machtsmiddelen. Van Mook is op 3 october in Batavia. Helfrich zit er dan al twee weken, en is begonnen om de KNIL- bataljons in Balikpapan en Tarakan naar Batavia over te vliegen en te varen met KNIL-vliegtuigen en KPM-schepen. Dit tegen de uitdrukkelijke instructies van de Britten in. Te Batavia wordt het Xe Bataljon gevormd uit Indo-jongeren en Ambo-
nezen, in Bandoeng het XV Bataljon, het latere Ve Bataljon Andjing Nica. Beide strijdgroepen redden zoveel mogelijk Indo’s uit geisoleerde posities. Tegen Indonesische jongeren wordt buitengewoon wreed opgetreden. Voor elke gedode Nederlander worden drie Indonesiërs doodgeschoten. Het geheel heeft de karaktertrekken van een verbeten burger-oorlog. Indo’s weten, dat hun voort-
bestaan op het spel staat. Christison ziet dit ondisciplinaire gedrag aan, en vraagt Mountbatten om geen Nederlandse troepen meer op Java toe te laten. Hij vergeet daarbij, dat dit optreden het gevolg is van het niet-ingrijpen van zijn Brits-Indische troepen. Uit Nederland zijn inmiddels enkele bataljons OVW’ers onderweg, uit Amerika de goedgewapende, gedisciplineerde Mariniersbrigade.
In de krijgsgevangen-kampen in Thailand en Indo-China worden KNIL-militairen na een summiere keuring weer onder de krijgstucht geplaatst en bewapend. Er zijn geen schepen om ze naar Java te brengen. De Amerikanen brengen 9000 KNIL-krijgsgevangenen uit Japan over naar Manila, waar zij met Britse vliegkampschepen van de (Britse) Eastern Fleet naar Balikpapan worden gebracht. Nederland staat voor het blok.


BERSIAP Hoofdstuk 2 H.Th. Bussemaker

 Muurschildering in Modjokerto voorstellende het doorsteken van een
Hollandse soldaat door een Indonesische vrijheidstrijder. Foto uit: Het land onder de regenboog van
 Mochtar Lubis.

Eind-october is de Bersiap op zijn hoogtepunt. Geheel Java kolkt en kookt van nationalistische opwinding. De Britten zijn nu aan de beurt om daarvan het effect te ondervinden. Daartoe gaan wij eerst naar Soerabaja, en daarna naar Semarang.

In de middag van de 24e october 1945 arriveerde de Brits-Indische 49e Brigade van de 23e Infanteriedivisie in de haven van Soerabaja. De volgende dagen zwermden zij uit over Soerabaja. Zij werden uiterst koel ontvangen. Op de 27e wierpen Britse Dakota’s pamfletten uit, waarin de pemoeda’s werd gesommeerd, voor 30 october hun wapens in te leveren. Dr. Moestopo, de Indonesische bevelhebber, overlegde hierover met de Britse Brigade-commandant Mallaby. Deze wist niets van de tekst van de pamfletten, maar stelde dat hij zich aan de inhoud gebonden achtte. Om 1400 uur op de 28e october brak de hel los: alle dertig, nogal geisoleerde, Brits-Indische posten in de gehele stad werden tegelijk aangevallen. Dat gebeurde ook met het derde Goebeng-transport van die dag: circa 400 vrouwen en kinderen onder escorte van dertig Mahratta’s vertrokken om vier uur van Goebeng naar het kamp “De Wijk” in Darmo. Op de Embong Sonokembang en de Palmenlaan-Zuid vielen zij in een hinderlaag. De Mahrattas hebben het convooi vrijwel tot de laatste man verdedigd, de commanderend officier kwam om het leven met zijn mannen. De overmacht was te groot. Circa 100 vrouwen en kinderen kwamen om. Ook elders in de stad werden circa 20 Brits-Indische posten onder de voet gelopen. Mallaby vroeg dringend om de overkomst van Soekarno, die op de 29e ook kwam. Soekarno bereikte een wapenstilstand, waardoor de Britten hun bedreigde posten konden evacueren naar het kamp De Wijk en de haven. Nauwelijks was hij weg, of er braken opnieuw rellen uit. Mallaby begaf zich naar het Internatio-gebouw aan het Willemsplein bij de Rode Brug om te bemiddelen. Daar werd hij door een extremist vermoord. Opnieuw leidde dit tot verwoedde gevechten. De Britten zwoeren wraak.

Er ontstond een stilte voor de storm. De Britten gebruikten die om vrouwen en kinderen uit het kamp De Wijk naar de haven over te brengen, en om verse troepen aan te voeren. Er werd nu een gehele divisie aangevoerd: de 5e Brits-Indische Infanteriedivisie. Deze telde ook enkele bataljons Gurkha’s. De 49e Brigade bestond uit Mahratta’s en Rajputs, maar had geen Gurkha’s. Generaal Mansergh stelde op 9 november de Indonesiërs een ultimatum: ontwapenen of de strijd. In de nacht van 9 op 10 november bevrijdde Jack Boer de 2386 Nederlandse gevangenen in de Kalisosok-gevangenis, met nog 22 Nederlandse vrouwen. De bronnen zijn echter niet eensluidend over deze actie. In mijn boek geef ik de diverse versies. Zo bestaat er veel verwarring over de rol van Jack Boer, van de Gurkha’s, en van de Britten op de volgende ochtend.

Want om 0600 uur op 10 november vielen de Britten de stad aan vanuit de haven. De Indonesiërs hadden drie hoofdweerstandslijnen ingericht, en vochten als leeuwen. De strijdgroepen waren goed bewapend en fanatiek. De Hizbollah en een Moluks-Islamitische groep vochten met ware doodsverachting. De Britten moesten straat na straat, gebouw na gebouw, veroveren, en hebben
er drie weken over gedaan om de stad te heroveren. Hele kampongs werden in brand gestoken. Op 1 december bezaten zij een lege stad: vrijwel iedereen was gevlucht. De Indonesiërs namen ook bijna 10.000 Indo-Europeanen mee, die opgesloten werden op suikerfabrieken ten Zuiden van Soerabaja: Soemobito, Brangkal, Tjeweng en Dinojo.

De gevolgen van de slag om Soerabaja waren ingrijpend. Militair verloren de Britten 400 man, de Indonesiërs 16.000 man, maar ook alle zware wapens en veel lichte wapens. Militair hadden zij de hele eerste helft van 1946 nodig om zich te hergroeperen en te consolideren. Maar ook de Britten waren aangeslagen. Een voorgenomen opmars naar Malang ging niet door. De aldaar geinterneerde Nederlanders zouden nog een jaar moeten wachten op hun bevrijding. Politiek hadden de Indonesiërs bewezen, dat zij bereid waren tot grote offers voor hun onafhankelijkheid. De Britten kwamen daarom tot de conclusie, dat er onderhandeld moest worden met de Republikeinen, eindigend met hun terugtrekking uit dit wespennest. Voor de Indonesiërs zou 10 november een nationale feestdag worden, hari Pahlawan, en Soerabaja zou de eretitel krijgen van Kota Pahlawan.

In Midden-Java werd onder de nieuwe legercommandant Soedirman de PETA-bataljons geconsolideerd met de strijdgroepen tot de TRI, de Tentara Republik Indonesia. Deze trad verbazend effectief op: midden-november moesten de Britten onder militaire druk hun posten terugtrekken uit Magelang, waarbij 2500 Indo-Europeanen aan hun lot werden overgelaten. Bij hun terugtocht naar het noorden moesten zij de ene hinderlaag na de andere doorbreken. Op de avond van 25 november kon op het nippertje voorkomen worden, dat 1600 vrouwen en kinderen in het Touwslagerskamp te Ambarawa door de TRI werden uitgemoord. De vier kampen aldaar en de twee kampen te Banjoebiroe werden verdedigd door Nederlandse jongens, Britse en Brits-Indische militairen en Japanse militairen van het Kido-bataljon, maar de Indonesische overmacht was te groot. Tussen 26 november en 4 december werden onder Indonesisch vuur de zes kampen geevacueerd naar Semarang. Ambarawa en Oengaran vielen in Indonesische handen.
Op 10 december stonden zij voor Semarang. Het was een klinkende Indonesische overwinning.

Deze had nog groter kunnen worden, als de Britten hun oorspronkelijke plan hadden uitgevoerd, om Semarang op te geven. Onder zware Nederlandse druk bleven zij, waarbij het Kido-bataljon zij aan zij met de Britten bleef strijden tegen de Indonesiërs totdat zij in maart 1946 door de eerste Nederlandse troepen werden afgelost.

De tol van de Bersiap aan doden is nog steeds niet bekend. Er zijn 3600 (Indische) Nederlanders gedood en daarna geïdentificeerd, maar er zijn er meer dan 20.000 ontvoerd, en niet meer teruggekomen. Aan de kant van de Indonesiërs zijn er tienduizenden doden gevallen, voor het merendeel heel jonge levens. De Japanners verloren ca 1000 doden, de Britten en Brits-Indiërs 660 gedode militairen.

5. De Britse blokkade van Nederlandse troepen.

Zoals hierboven aangegeven is een van de grootste frustraties van deze periode, dat de Britten weigerden, om Nederlandse troepen toe te laten tot Java en Sumatra. De reden hiervan was, dat Mountbatten hierdoor hoopte te bereiken, dat de Nederlandse regering zou gaan onderhandelen met de Republikeinen. Hij wist door zijn politieke connecties dat de tijd van het kolonialisme definitief voorbij was. Hijzelf had onderhandeld met Burmese collaborators en het Burmese leger doen overlopen naar de Britten in 1944. (Aung San!) Amerika en de Sovjet-Unie waren de grote overwinnaars van WO II, zij domineerden de UNO, en beiden waren anti-koloniaal.
Hij misbruikte dus de Nederlandse militaire zwakte om van hun kant concessies af te dwingen, erop rekenend, dat de weinige Brits-Indische troepen in samenwerking met de Indonesiërs voor rust en orde zouden kunnen zorgen.

Hij had echter niet gerekend op de Nederlandse stijfkoppigheid. De Nederlandse regering en het voorlopig parlement hadden absoluut geen kijk op wat er in bezet Indië was gebeurd. Soekarno cs werden als Japanse collaborators gezien, waar Van Mook absoluut niet mee mocht onderhandelen. De regering was bereid om de Indonesiërs in Rijksverband een dominionstatus aan te bieden, leidende tot volledige zelfstandigheid in 30 jaar. Maar de Indonesiërs wensten de Merdeka Nu!, en werden daarin gesteund door de Britse dominions Australië en Brits-Indië. Dit laatste dominion vond het bovendien maar niets, dat haar troepen op Java ingezet werd om
de Nederlandse kolonie te herstellen. Van Mook werd daardoor in een onmogelijke positie geplaatst. Hij mocht niet onderhandelen met Soekarno, maar wel met zg. “gematigde nationalisten” als Shahrir.

Inmiddels was Nederland aan het mobiliseren. Er zouden 27 lichte Infanteriebataljons naar Indië worden gezonden, voornamelijk OVW’ers. De Grondwet werd veranderd, om ook dienstplichtigen naar Indië te kunnen zenden. Midden-november naderden schepen met de eerste bataljons Java, maar werden door de Britten teruggestuurd naar Malaka. In Thailand werden drie bataljons geformeerd, die vanaf Januari 1946 klaar stonden. Krijgsgevangene uit Japan werden via Manila naar Borneo overgebracht, om daar de Australiërs af te lossen. Borneo en de Grote Oost waren vanaf december 1945 weer geheel in Nederlandse handen. Uit Amerika naderden twee schepen met de volledig bewapende Mariniersbrigade, 5000 man die zo ingezet hadden kunnen worden. Ook zij werden naar Malaka gedirigeerd.

In december beschouwden de Britten hun militaire positie opnieuw. Batavia was nog steeds niet veilig, evenmin als Bandoeng. Semarang was bijna door de Indonesiërs ingenomen, Soerabaja een slagveld. De Japanners waren nog niet ontwapend, in het binnenland zaten nog duizenden geinterneerden. Meer Brits-Indische of Britse militairen konden niet ingezet worden. De eerste verkiezingen in Brits-Indië wezen naar een burgeroorlog tussen Hindoe’s en Islamieten, die ook het Brits-Indische leger uiteen zou doen vallen. Dat leger was zonder meer al niet effectief gebleken, behalve de Gurkha’s, maar dat waren geen Brits-Indiërs, maar Nepalezen. Er zat dus niets anders op, dan toch de Nederlandse militairen toe te laten, maar alleen als er onderhandeld werd. Nederland speelde het spel mee: op de conferentie op de Hoge Veluwe begin-1946 werden verdere onderhandelingen afgesproken. Britse eenheden werden teruggetrokken, en vanaf maart 1946 vervangen door Nederlandse eenheden. Een probleem bleef Sumatra. Daar werden de olievelden bewaakt door gewapende Japanners, en de drie enclaves door Britse troepen. Nederland bezat niet genoeg troepen om de Britten te vervangen, en smeekte de Britten zolang op Sumatra te blijven. In een half jaar tijds was de Britse houding totaal omgeslagen: van een verbod tot binnenkomst van Nederlandse troepen tot een vaandelvlucht van diezelfde troepen, onafhankelijk of zij door Nederlanders afgelost konden worden.

Het concept-accoord van Linggadjati werd tot opluchting van de Britten op 16 november 1946 getekend, waarna de Britten zonder al te veel gezichtsverlies Nederlands-Indië op 30 november 1946 verlieten, en aan de Nederlanders lieten. We waren weer baas in huis, maar de vraag was, of dat ook “eigen” huis was.

6. Samenvatting en Conclusies.

De Bersiap-periode kende een aantal fasen. In de eerste fase, van 17 augustus tot midden-september, was het rustig. Men wachtte de komst der geallieerden af. De treinen reden, Nederlandse geinterneerden gingen op zoek naar hun familie. De Indonesiërs namen de hogere bestuursfuncties over van de Japanners, en runden de facto een onafhankelijke staat. Deze werd van buiten bedreigd door terugkerende Nederlandse Gezagsdragers.

De tweede fase is de periode van 15 september tot 14 october. Jongeren gaan georganiseerd de straat op, zoeken wapens, hangen vlaggen uit, plakken Makloemats op, en molesteren Japanners. De houding tegenover Europeanen wordt vijandig, er komen vechtpartijen met Nederlandse strijdgroepen (Indo’s). Dat resulteert in een voedselboycott van Indo’s na 5 october, wat tot meer geweld leidt. Rampokkers slaan hun slag. De eerste moorden op Indo’s vinden plaats.

De derde fase is de meest gewelddadige fase, ruwweg van 14 october tot 1 december. In Bandoeng en Semarang grijpen de Japanners in. In Soerabaja en Malang worden hun troepen ontwapend. Vanaf 14 october worden Europese mannen en jongens opgesloten onder vaak mensonterende omstandigheden, later gevolgd door vrouwen en kinderen. Reizen is onmogelijk. De Britten grijpen in, maar blijken in Midden-Java te zwak. Soerabaja gaat bijna verloren, maar de Britten brengen daar uiteindelijk de Indonesiërs een zware slag toe. In Batavia en Bandoeng gaat de bersiap door tot in maart 1946.

De vierde fase is die van 1 december tot 1 mei 1946. Britten en Indonesiërs likken hun wonden. Nasoetion consolideert de strijdgroepen in West-Java, Soedirman in midden-Java. Er wordt eindelijk onderhandeld tussen Nederlanders en Republikeinen, onder zware Britse druk. De Indonesiërs beginnen de evacuatie van Japanners uit hun zelfinterneringskampen, en van de geïnterneerden in de bersiapkampen. De Japanse evacuatie is in juli 1946 afgehandeld, die van de geinterneerden zal doorlopen tot mei 1947. Vanaf maart 1946 worden weer Nederlandse troepen toegelaten tot Java. De eigenlijke Bersiap is daarmee wel afgelopen.

Wat zijn de oorzaken van de Bersiap?

Het zijn er vele. We noemen:

– de Japanse indoctrinatie van de Indonesische Jeugd tijdens de bezetting. 
– de overdracht van Ned.Indië van SWPA naar SEAC op 15 augustus 1945.
– de ontwapening van PETA en Hei-ho door de Japanners na 17 augustus 1945.
– de Japanse zelf-internering.
– De lage prioriteit welke de Britten aan Java gaven, mede op basis van Nederlandse adviezen.
– De slechte inzetbaarheid van de weinig-gemotiveerde Brits-Indische troepen.
– De starre Nederlandse houding tegenover de Republiek.
– Het tegenhouden van de Nederlandse troepen door de Britten.
– De verklaring van Generaal Christison op 29 september 1945.

Mijn eigen conclusie is, dat de Indonesische regering zo snel mogelijk een standbeeld voor Lord Louis Mountbatten dient op te richten. Meer nog dan de Japanners is hij een der vaders van de Indonesische onafhankelijkheid. Uiteraard had hij gelijk met zijn visie, dat het kolonialisme passé was. Hij onderkende te laat, dat het de Nederlandse regering nog 4 jaar en duizenden doden zou
kosten, om tot dat inzicht te komen. Vooral zijn besluit, om geen Nederlandse troepen toe te laten, valt te kritiseren, omdat dat levens van burgers en militairen gekost heeft.

Oproep: Ik ben nog steeds op zoek naar feiten en gegevens. Zo is er heel weinig bekend over het lot van Indische Nederlanders in de residenties Rembang en Bodjonegoro. Mocht U aanvullende informatie hebben op de hierboven genoemde onderwerpen, dan zou ik daarover graag een gesprek met U hebben, of daarover corresponderen. 

H. Th. Bussemaker,
H. de Grootlaan 16,
2105 TN Heemstede.
Telefoon (023) 5280070
E-mail: h.bussemaker@planet.nl