Verhaal: “Mijn Tante Lien”

Posted in Artikelen & Actueel Nieuws

Mijn Tante Lien


Tante Lien 100 jaar! Haarlems Dagblad 9 februari 1995. Foto: Babette Stapel.

Mijn Tante Lien / door R.V.
Ze woonden met z’n drieën in het kleine paviljoen dat bij het grote huis van de familie Ondaatje hoorde; tante Lien, Oma en haar kleindochter Dédé. Een Indisch paviljoen was een gebouwtje dat gebruikt werd voor logees van de familie, die in het grote huis ernaast woonden. Vaak echter werd een paviljoen voor kortere of langere tijd verhuurd aan derden, zoals aan mensen in afwachting van een eigen huis, bijvoorbeeld komende uit Holland, of aan alleenstaanden.

Oma had een kooltje vuur, dat uit de anglo (komfoor) was gevallen, op haar voet gekregen en had daarvan een blaar opgelopen. Op een dag kwam Dédé van haar werk thuis en had Oma in de “luierstoel” aangetroffen met een van pijn vertrokken gezicht.
“Wat ziet je voet er raar eeltig uit, Oma”, riep ze verschrikt.
Altijd al zelf dokterend had Oma de brandblaar ingeknipt om het vocht eruit te laten lopen zodat de spanningspijn er een beetje af zou gaan. Altijd alles zelf doen, en eigengemaakte jamus (huismiddeltje) d’r op smeren. Maar de wond was gaan ontsteken en steeds groter geworden. Oma had suikerziekte en moest regelmatig medicijnen innemen. Maar medicijnen waren schaars en het geld dat er was ging hoofdzakelijk op aan de eerste levensbehoeften. Meestal was er geen geld. Maar aan eten kwam je door spullen die je nog had, te ruilen tegen rijst en soms wat eieren. Honger was er niet echt want als het moest kon je ook van de planten van de pagger (heg) eten. Daon loentas was zelfs lekker. En dan kankoeng natuurlijk. Die groeide op wateroevers.

Oma werd steeds zieker en tenslotte stuurde tante Lien haar zusje, mijn moeder, in Oost-Java een telegram: “Iboe sakit keras, harep datang.” (Moeder is ernstig ziek, hoop dat je komt).

Mammie (mijn moeder), mijn twee jaar oudere broer en ik reisden met de trein (de Nachtexpress) op een idjin (vergunning) voor een week van de Japanse politie van Djember via Soerabaja, Semarang en Tjikampek naar Buitenzorg. Een dag en een nacht reizen van Oost- naar West-Java.

Ik wist van het bestaan van onze familie niets af, maar in Buitenzorg maakte ik echt en voor het eerst bewust kennis met Oma, tante Lien en Dédé. Ik was toen zes jaar oud.
Met Oma was het helaas maar een korte kennismaking, want ze was inmiddels heel erg ziek en leed bijna ondraaglijke pijnen. Ze lag in een bed dat een eindje van de muur af stond. Ze reageerde bijna niet toen we binnenkwamen, maar zei alleen: “Pie, waarom ben je niet gekomen?”, zo noemde ze Mammie.”Maar ik ben er nu toch?”, was het antwoord.

Oma lag met haar gezicht naar de muur gekeerd. Tegen etenstijd weigerde ze te eten. “Nou, een eitje dan, maar gedoelangd (gevoerd) door Rita.” Ik herinner me nog dat ik over de koele vloer onder het bed naar de muur kroop met het zacht gekookte eitje in de ene hand en een lepeltje in de andere. Ik zag haar lieve gezicht, maar eigenlijk was ze al bezig afscheid te nemen van de wereld. ’t Was alsof ze op ons had gewacht, want niet lang na onze aankomst is ze, januari 1945, op 69 jarige leeftijd overleden.
Mammie en Oom Willy hebben haar op een eenvoudige grobak (handkar) naar haar graf gebracht. Wij kinderen, mochten niet mee en keken achter het gesloten tuinhek de kleine droeve stoet na.

Mammie kreeg nog een extra week verlof van de officiële instanties om in Buitenzorg te blijven, de zaken te regelen en tante Lien en Dédé te helpen met verhuizen. Veel was er niet meer want huisraad en linnengoed waren al aardig geminiseerd in de loop van de bezetting. Ze waren gebruikt als ruilobject bij het tjatoeten (zwarte handel) om aan eten te kunnen komen.

Nadat we weer thuis waren, zijn tante Lien en Dédé nog eens verhuisd naar een huis dichter in de buurt van kennissen. Door dicht bij elkaar of bij elkaar in huis te wonen was je wat minder kwetsbaar in een tijd waarin je je bedreigd voelde zowel door de Jap als door de inheemse bevolking.

Ze was op zoek naar haar geboorteakte, maar omdat ze zo slecht zag en steeds gauw vergat wat waar in zat, vroeg ze mij eens te kijken naar de inhoud van het enveloptasje dat ze me aanreikte. het was gemaakt van dunne, gevlochten palmbladstroken in twee kleuren. Het bestond uit twee zakjes van ongelijke grootte die je als twee hulzen over elkaar heen kon schuiven.
De inhoud bestond uit allerlei krantenknipsels over pensioenen en reçuutjes van abonnementen, zoals een afrekening van f. 1.- voor het lidmaatschap van de Indische Pensioen Bond. Mijn tante Lien is in Indië werkzaam geweest bij het Departement van Landbouw en bij het Departement van Financiën. En als ambtenaar kon je lid worden van de I.P.B. Ze ging (45 jaar oud) al vóór WO II met pensioen.
Buiten die papieren en een briefwisseling tussen haar en Mammie, vond ik een bewijs van vaccinatie tegen tyfus en cholera, een identiteitskaart waarop ze een kledingpakket had gekregen en een ontslagbrief uit het kamp: Ursulinenklooster te Buitenzorg. Dit alles heel nauwkeurig gedateerd in het jaar 1946.
“Breng maar alles mee”, zei ze, “ik heb daar toch niets meer aan.” (Meebrengen = meenemen).
Thuis las ik alles nog eens door en bedacht ik me dat het vaccinatiebewijs, de identiteitskaart en de ontslagbrief documentjes waren uit de tijd na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië, maar vóór Indonesië’s officiële onafhankelijkheid. De tijd van het machtsvacuüm. Een tijd van veel angst en onzekerheid, vaak toen pas echt gruwelijk, gruwelijker dan de voorgaande drieënhalf jaar waarin Japan Indië bezet hield. Die tijd is de geschiedenis ingegaan onder de noemer “De Bersiap periode”.

Mijn tante Lien, ze was Protestant, had wel eens verteld dat ze “in het klooster” (een Rooms-katholiek klooster) was geweest, maar waarom en hoe dat kwam heb ik me eigenlijk nooit afgevraagd.
Daags na het doornemen van haar tasje wilde ik toch weten hoe het in West-Java was in de Bersiapperiode, en wat er allemaal met haar was gebeurd. Wijzelf zaten in Oost-Java en wisten niets af van wat er elders in Indië gebeurde.

Ik moest snel zijn, dacht ik, want Tante Lien was toch al heel oud. Gewapend met m’n taperecordertje en wat extra cassettes ging ik naar het bejaardenhuis waar ze woonde.
Ze was moe, zei ze, want ze kwam net van ‘volksdansen’. ‘Volksdansen’ hield in dat de oudjes, zittend op stoelen in een kring, op de maat van de muziek armen en benen bewogen.
“Dan doe ik ook aan gymnastie”, zei ze, maar ze was er wel moe van geworden.

Afbeelding wordt later geplaatst Links R.V., rechts Tante Lien.

Ik installeerde haar in haar stoel en ging vlak voor haar op een voetenbankje zitten zodat ik niet al te veel moeite hoefde te doen om me goed verstaanbaar te kunnen maken. Ondanks een gehoorapparaatje in elk oor, was ze heel doof.

Ik vertelde haar wat ik gevonden had en dat ik daar meer van wilde weten. Zij wou heel graag meewerken.
Alles wat op de identiteitskaart stond las ik voor. Ze kon zich alles nog heel goed herinneren:
1 Jurk, 1 broek (onderbroek), 1 onderjurk en 1 witte handdoek en ook nog een voedselpakket. De administratie was toentertijd ook al niet zo goed, want ze vertelde dat ze twee jurken i.p.v. één had gekregen. Later werd er gezegd dat ze een jurk terug moest geven.
“Neen, die krijgen ze niet terug”, zei ze fel, nog denkend aan die tijd “en als ze die terug willen hebben komen ze hem maar halen.” Ze lachte een beetje verlegen om haar ‘brutaliteit’ van toen en vertelde dat ze er nooit om zijn komen vragen. “En dat was maar goed ook, want toen had ik tenminste verschoning.”
“Er staat ook bij dat u een voedselpakket kreeg, van wie kreeg u dat, tante Lien, en wat zat er in?”
“We kregen dat pakket van het Rode Kruis maar er zat meer snoep in, zoals chocola, kaas in blik, crackers, beschuit en nog wat.”
“Ik zie hier ook staan, dat u huishoudartikelen kreeg, wat waren dat?”
“Die heb ik niet gekregen, we zaten in het klooster en wat moet je met huishoudartikelen in het klooster.”
“Hoe kwam u in dat klooster?”
“Voordat we in het klooster kwamen zijn we gerampokt geworden. Tegen het einde van de oorlog kwam er een Jap in onze straat wonen. Hij kreeg een huis tegenover ons toegewezen. Maar omdat hij wist dat er in het hem toegewezen huis iemand aan tbc was overleden wilde hij daar niet gaan wonen. Je weet immers dat Japanners heel erg bang zijn voor ziekten en zieken. Hij eiste daarom het huis op, waarvan wij het paviljoen bewoonden. In dat paviljoen woonden we met z’n drieën. Oma, Dédé en ik.”

Rechts met vlecht: Tante Lien.


De Japanse capitulatie in Indië ging over in de Bersiap periode, waarin plunderende bendes, gewapend met bambu runtjings (bamboesperen) en ander moordtuig, door steden en dessa’s trokken. Een tijd waarin de Jap zichzelf soms in kampen opsloot of de bestaande kampen toch nog bewaakte maar toen op een sterk afwijkende manier dan de drieënhalf jaar daarvoor: namelijk als beschermers van hun ex-gevangenen. Buiten de kampen konden de Japanners weinig uitrichten. Ze werden zelf ook vaak door de Indonesische benden belaagd.
Tante Lien: “Toen Oma overleden was zijn we vanuit dat, heel kleine paviljoen naar verderop in de straat verhuisd. Daar werden we in de Bersiap gerampokt. Ook Dédé en ik ontkwamen dus niet aan de rampokkers. We zijn toen gevlucht en konden in de gauwigheid alleen maar een tas met diploma’s en nog wat spullen meenemen. Maar de tas met de hele inhoud werd op het laatste nippertje toch nog afgepakt. Ook Dédé’s fiets.”
Tante Lien staarde een tijdje voor zich uit, maar ging tenslotte met haar verhaal verder.
“Onze sieraden hebben we nog wel, en helemaal compleet, na de oorlog teruggevonden. Die lagen nog steeds in een kistje, die we onder de steen hadden verborgen waar onze aap altijd op zat.”
Dat was al in de Jappentijd, en ook voor Japanners. Een aap in plaats van een hond als waakdier, een aap die bij het van zich afbijten, geen onderscheid maakte tussen Japanners en andere rampokkers.
“Alleen de kleren die we aan hadden was alles wat we nog hadden. Toen we bang bij elkaar zaten, kwam er een man voorbij die riep: ‘Weet u mevrouw, al de mensen die gerampokt zijn, zijn naar het klooster. U moet daar vragen of ze voor u ook een plaats hebben.’ Toen we in de richting van het klooster liepen, haalde een vrachtauto ons onderweg in, beladen met vrouwen en kinderen. ‘Pigi ke mana?’ (Waar ga je heen?), schreeuwde ik de chauffeur toe. ‘Pigi ke klooster’ (Naar het klooster). Ik vroeg of we mee konden rijden. Even later reed er een vrachtauto in tegengestelde richting, nu geladen met alleen mannen. Ik zag oom Willy er tussenin staan. Deze mannen waren allen opgepakt door de T.N.I. (het Indonesische leger) en werden naar de gevangenis getransporteerd, naar later bleek.
Het klooster stond in een stadswijk die beschermd werd tegen rondtrekkende rampokkers. Men had in Buitenzorg meer van dit soort beschermde wijken ingericht zoals Kedoenghalang en Kota Paris.
In het klooster aangekomen kregen we een slaapplaats aangewezen in een kamer die we met nog twintig andere vrouwen en kinderen moesten delen. Eerst sliepen we gewoon op de kale vloer, maar later kon ik ergens een plank vinden waarop we konden liggen. Die was toch beter, vooral ’s nachts als de kou uit de tegelvloer optrok.”
De identiteitskaart waarop ze het kledingpakket had gekregen is gedateerd op 1.2.1946 en de ontslagbrief uit het klooster is van 13 april 1946.
Rond haar vijftig, zestig jarige leeftijd, heeft ze een hele verdrietige en angstige tijd meegemaakt, mijn tante Lien. Ze verloor haar moeder, ze verloor alles wat ze had, haar bezittingen maar ook haar land en werd overgeplant in een land dat ze niet kende. Ze is al die tijd overeind gebleven en op het moment van ons praatje over haar papieren was ze 95 jaar oud.

Vanaf 1950 heeft ze in Holland altijd bij ons gewoond, totdat ze in 1982 naar het bejaardenhuis ging. Haar aanwezigheid liep en loopt nog steeds als een rode draad door mijn leven. Terwijl Oma tien kinderen had en zeventien kleinkinderen was het tante Lien die voor mij de rol van Oma vervulde. Ze trad nooit op de voorgrond, maar iedereen hield rekening met haar, ook al eiste ze niets voor zichzelf op. Ze was altijd stilletjes aanwezig.
Op mijn vraag ooit waarom ze nooit getrouwd is geweest, vertelde ze dat toen ze nog in Makassar woonden, ze wel degelijk kennis had gehad aan een jongeman. Deze moest echter voor zijn studie naar Holland.
“Ik heb toen nooit meer wat van hem gehoord” zei ze onbewogen.
“Heel veel jaren later, hier in Holland, was ik op weg naar het graf van een hele goeie vriendin. In het voorbijgaan en kijkend naar de namen zag ik ineens zijn naam op een grafsteen staan.”

 Detail van paspoort van Tante Lien.

Tenslotte is mijn tante Lien in 1999 op 104-jarige leeftijd overleden.
Voor zover ik weet, is zij de langst van een pensioen profijttrekkende ambtenares uit ons Nederlands-Indië geweest.

———